Schrijflap

Blogberichten

  • Covid en zo 6

    Covid en zo 6

    De nacht is slecht. De controle om 2 uur ’s nachts maakte dat de slaap die ik zo nodig had voortijdig werd beëindigd. Om half drie merkte ik dat ik (te) helder werd en niet veel later begon het lijf me te plagen. Pilletje erin plus een rustgever want het hoofd had moeite rustig te blijven. Ik dacht aan de een na jongste kleindochter, die, als ze mens-erger-je-niet speelt met pake en als ze hem er graag af wil ‘SMITE’ (roept ze dan) ze naar de dobbelstenen in haar hand fluistert: ‘Rustig-rustig-rustig!’ Nu moet beppe rustig.

    Om 6 uur, na de volgende controle, besluit ik te douchen; misschien ontspant het warme water en kan ik dan, voor het ontbijt van 8 uur, nog een dutje doen. Niets helpt, dus ik begrijp dat dat er vandaag niet in zit. Desondanks zijn alle controles prima.

    Ik lees, doe een spelletje, ga toch weer wat rusten, als mijn man belt met de onuitgesproken vraag. ‘Ik wacht op de dokter,’zeg ik. ‘Waarschijnlijk dat de bloeduitslagen van vanochtend ook meetellen.’
    We praten nog wat, al valt er weinig te zeggen. ‘Nu stoppen,’ zegt hij, ‘anders ga je weer hoesten.’ Van dat hoestje ben ik nog niet af, dat weet ik zeker.

    De zwager belt en ik leg kort uit dat ik wacht op de dokter. ‘O, dat is mooi, dan nu maar in de rust.’

    En ja, daar is hij dan: ruim twee meter arts achter een te lage computer op wieltjes. Alles verloopt in ziekenhuizen op rolletjes! We bespreken alles wat is geweest, de resultaten, de cijfers die allemaal positief zijn. Na overleg met de internist mag ik vanmiddag naar huis, als alle papieren klaar zijn. Extra medicatie voor de longen is niet meer nodig.

    Ik app de familie, oudste zoon brengt nog was maar na overleg, want ik wil natuurlijk onmiddellijk naar huis, rustig-rustig-rustig, zo gaan die dingen niet. Bij de balie informeert hij hoe dat gaat, iemand afhalen in coronatijd. Iemand van de verpleging brengt me naar de zijingang, zodat zoonlief niet in het ziekenhuis hoeft te komen.

    Nu moet ik de middag doorkomen. Het liefst wil ik de tas inpakken en klaarzetten, maar ik weet dat ik dan helemaal niet te houden ben, dat ik ernaast ga staan om te wachten zodat ik al gesloopt ben voordat ik in de auto zit, dus is het weer tijd voor rust. Ik leg wat woordjes Wordfeud, doe een spelletje, sluit mijn ogen. De middag sukkelt voorbij.

    Voordat ik ga inpakken doe ik eerst mijn gewone kleren aan; ze zijn maar een beetje te groot. Ik heb hier een vetrolletje achtergelaten en vrijwel geen spieren. De rest van de rolletjes bewaar ik voor thuis, net als de wetenschap dat nu het zwaarste deel nog moet komen. Het herstellen, in zulke kleine stapjes dat je ze pas ziet als je achteromkijkt, heel veel later. Van de dubbele longontsteking weet ik nog hoe lang die maanden duurden, hoe frustrerend het was om een babystapje naar voren te zetten, en nog een, tot je, naar je gevoel, terug kukelde in de diepe put waaruit je net kwam. Ik heb het eerder gedaan en nu doe ik het weer. Ik heb veel om voor te leven, ik heb de afgelopen 11 dagen veel opbeurende berichtjes gelezen, vanuit het hart geschreven en ze helpen, echt waar. Die aandacht is straks weg en dat is goed. Ik heb een fijn team klaarstaan dat me helpt met oefeningen, aanmoedigingen, schop onder mijn achterste en wat ik maar nodig heb. De kinderen, kleinkinderen, mijn man, de mensen dichtbij die me zien worstelen af en toe, en blij met me zijn als het wat beter gaat.

    Ik lig nog even en luister. Alle geluiden die me eerst zo vreemd, raadselachtig, bizar of doordringend voorkwamen ken ik nu. En anders is het ook goed. Zo loop ik nog een ommetje, neem afscheid van de meneer uit Westerkwartier waar ik een praatje mee maakte, van de collega die zo kan praten, van de buurman die intussen voor het raam zit en een veel betere indruk maakt.

    Van vorige keren weet ik dat afscheid nemen van alle mensen die me deze dagen hielpen te komen waar ik nu ben weinig zin heeft. Er is op zo’n moment zoveel en tegelijk zo weinig te zeggen. Dank alle mensen van het Martiniziekenhuis dat jullie, behalve jullie kennis en wetenschap zoveel tijd nemen voor jullie patiënten die plotseling vanuit een veilig thuis in een onbekende omgeving belanden. Ook voor jullie hoop ik dat deze ellende snel voorbij zal zijn. Of dat we, sneller dan tot nu toe, als maatschappij willen leren in plaats van als mokkende kleuters verontwaardigd iedereen de schuld gaan geven. Begin bij de regels, pas ze toe, laat je vaccineren en wees voorzichtig. Voor jezelf, voor de ander, voor de zorg.

     

    Hanneke de Jong
  • Covid en zo 5

    Covid en zo 5

    Een paar dagen geleden, toen ik voor het eerst tijdens deze ziekenhuisopname onder de douche stond, schoot ineens door me heen: ‘De idioot in het bad’ het gedicht van Vasalis. Zolang geleden gelezen, de indruk die het toen maakte om nu, decennia later, tevoorschijn te komen. Het warme water, de verlichting die het brengt, de zuster die helpt, de onbeholpenheid en de kwetsbaarheid van de idioot, of het oude mens, het is er weer, nu er rust in mijn dagen begint te komen. Ik zoek het op en voeg het hierbij in. Dit is wat kunst en cultuur vermag: woorden of beelden geven aan gevoelens die vaak ingewikkeld lijken, waarvan ik niet meer wist dat ze op mijn harde schijf stonden, deze woorden, zoveel jaar geleden geschreven, hebben hun zeggingskracht nog niet verloren. Al zegt de juf in mij dat je dan wel ooit kennis hebt moeten maken met kunst, literatuur, poëzie. Ooit komt het terug!

    De idioot in het bad

    Met opgetrokken schouders, toegeknepen ogen,
    haast dravend en vaak hakend in de mat,
    lelijk en onbeholpen aan zusters arm gebogen,
    gaat elke week de idioot naar ‘t bad.

    De damp, die van het warme water slaat
    maakt hem geruster: witte stoom…
    En bij elk kledingstuk, dat van hem afgaat,
    bevangt hem meer en meer een oud vertrouwde droom.

    De zuster laat hem in het water glijden,
    hij vouwt zijn dunne armen op zijn borst,
    hij zucht, als bij het lessen van zijn eerste dorst
    en om zijn mond gloort langzaamaan een groot verblijden.

    Zijn zorgelijk gezicht is leeg en mooi geworden,
    zijn dunne voeten staan rechtop als bleke bloemen,
    zijn lange, bleke benen, die reeds licht verdorden
    komen als berkenstammen door het groen opdoemen.

    Hij is in dit groen water nog als ongeboren,
    hij weet nog niet, dat sommige vruchten nimmer rijpen,
    hij heeft de wijsheid van het lichaam niet verloren
    en hoeft de dingen van de geest niet te begrijpen.

    En elke keer, dat hij uit ‘t bad gehaald wordt,
    en stevig met een handdoek drooggewreven
    en in zijn stijve, harde kleren wordt gesjord
    stribbelt hij tegen en dan huilt hij even.

    En elke week wordt hij opnieuw geboren
    en wreed gescheiden van het veilig water-leven,
    en elke week is hem het lot beschoren
    opnieuw een bange idioot te zijn gebleven.

    M. Vasalis (1909 – 1998)
    Uit Parken en woestijnen (1940)

    Nu is het zondagochtend 5 december. Ik zie de verpleegkundigen die Sinterklaas niet voorbij wilden laten gaan; één van hen kocht veertjes die net de bijzondere touch aan hun outfit geeft. Pietjes! Bij de koffie gevulde speculaasmuffins, lekker.

    Zondagochtend, de tweede keer. Nu begrijp ik zoveel meer. Op zondag is er minder personeel. Na het wassen is het bed niet opgemaakt. Omdat ik in het weekend kwam, dacht ik dat het zo hoorde. Nu weet ik dat door de week het bed opgemaakt klaar staat na de wasbeurt. En vanmiddag kon iemand het niet laten om mijn bed te maken: ‘Alsof er een bom in dat bed is ontploft, dat kan toch niet!’ Op zondag zijn de werkzaamheden anders. De dagelijkse schoonmaak is er niet, maar degene die die taak vandaag op zich neemt, doet dat serieus. Een ander gaat bij de kamers langs om patiënten te wegen, want met longen verlies je zo kilo’s. Spieren wel te verstaan en die heb je juist nodig als je op moet krabbelen en moet herstellen. Het kost de heilige drie-eenheid geduld, mentale- en spierkracht.

    Ik wandel over de afdeling. Iemand steekt een hand op en ik zwaai terug. Mijn vroegere buurman ziet me langskomen en steekt de hand op. ‘Hoe is het?’ ‘Een stuk beter!’

    De ruimtes van waaruit ik geluiden hoorde die ik niet kon plaatsen vullen zich nu met beelden. Veel computers, mensen die erachter zitten om de dagelijkse stand van zaken bij te houden. Belangrijk om zo door te geven wat zorgelijk is, verbeterd moet worden of onderzoek behoeft. Ik hoor vanuit kamers hoe ze de patiënten die hier nog niet lang zijn aanmoedigen. ‘Toe maar, kunt u best! U moet wel eten, hoor. Wilt u nog een eitje? Wat drinken? We hebben ook toetjes: yoghurt, vla, zeg het maar. Even uw benen optrekken, ja, ja, gaat goed…’

    De zorgmedewerkers waren vanaf de eerste minuut dat ik binnenkwam betrokken. Tot de deur binnenkort achter me dichtgaat, dan gaan zij verder, steeds weer opnieuw voor mensen zorgen, geen fouten maken, ondersteunen en doorgaan. Zij gaan verder in dit rare klimaat van mensen die van alles roepen zonder de verantwoordelijkheid van hun eigen aandeel op zich te willen nemen. Heb je zo’n goed afweersysteem dat je het niet nodig vindt om twee prikjes (!) in je arm te laten zetten? Doe het voor je buurman, je buurvrouw, je ouders of grootouders. Iedereen heeft die verantwoordelijkheid!

    Ik douche voor het eerst alleen, begin me weer zekerder te voelen. Als de controles komen zit mijn zuurstof op de grens. ‘Zullen we het eens proberen?’ vraagt de zuster en vlotter dan Groningen van het gas af is, ben ik van de zuurstof af. Nu mag ik zonder rollator en zuurstof wandelen. Vrijheid! En vooral rustig blijven!

    Het is bijna tijd voor de overdracht. ‘Ik ben moe,’ hoor ik een verzorgende kreunen. ‘Ik wil naar huis!’
    Nog even…

     

     

    Hanneke de Jong
  • Covid en zo 4

    Covid en zo 4

    Vandaag vieren we Sinterklaas met het gezin van de oudste. Via de WhatsAppgroep van de familie zullen we een paar pakjes uitpakken en eventuele gedichten voorlezen. Daarna gaan ze met zijn vieren verder. Ik verheug me er erg op.

    Na de douchebeurt, helemaal zelfstandig uitgevoerd, op de voeten na, zit ik op de rand van het bed uit te rusten. Een arts verschijnt, samen met nog een arts. Het spijt me, ik kan geen namen geven of gezichten beschrijven want iedereen is in blauwe pakken gehuld, met mondkapjes op en brillen voor. Vooral in het begin is dat verwarrend, tot je hier lang genoeg bent om verpleegkundigen en verzorgers te herkennen aan de stem, de schoenen, het postuur of andere uiterlijke kenmerken die ondanks het pak zichtbaar zijn. De vrouwelijke arts vertelt hoe het met me gaat: goed, op dat hoestje na. En ik kan nog niet zonder zuurstof. Eigenlijk ben ik nu te goed voor deze afdeling maar niet goed genoeg voor thuis. Misschien, als er meer ‘beddendruk’ komt, is het goed dat ik naar een andere afdeling verhuis. Grote schok! Voor mij is er maar één uitgang, en ik lig er vlakbij, en die leidt naar huis. Misschien maandag… Ik probeer niet hoopvol te worden, maar ben het wel natuurlijk.

    ‘Verhuizen, dat snap ik.’ Ik merk zelf ook wel dat ik te goed word. ‘Maar ik wil graag weten wanneer, in verband met Sinterklaas.’ En ik leg uit. Hoe klein de verhalen ook zijn, artsen en allen die hier werken nemen altijd de tijd om naar zulke verdrietjes te luisteren. ‘U hoort nog van ons.’

    De dokters gaan op naar de volgende patiënt terwijl ik probeer het nieuws positief te benaderen. Je bent er bijna, Hanneke! Even doorzetten. Dan denk ik aan Sinterklaas. Het liefst wil ik me dan afzonderen. Buurman is soms wat lawaaiig en ik wil niet dat de kinderen allerlei geluiden meekrijgen die ze niet thuis kunnen brengen. Ik vraag een verpleegkundige om raad; ze ontsluit meteen een deur waar nog op staat Niet betreden. Het is er koud en schemerachtig maar stil!

    De oudste zoon meldt zich via WhatsApp, pake thuis en beppe hier zitten er klaar voor. Vol verwachting klopt ons hart! Dit jaar mag de oudste eerst uitpakken en dat ben ik. Vier prachtige, kleurige soepkommen zitten in de doos! Ik ben dol op soep, de zusters vinden het leuk dat ik ze krijg want ze weten dat ik iedere dag een kommetje bestel tijdens de lunch. Toepasselijk. Manlief heeft cadeau’s met lekkere gore gedichtjes en de kleinkinderen lezen ook voor. Wat fijn dat ze nu hun eigen gedichten kúnnen lezen! Het is een bijzonder feestje, hoe klein dan ook. En zo knap van de kleinkinderen die, nota bene weer in de decembermaand, zoveel voor hun kiezen krijgen. Want wat waren ze overstuur toen ze me zagen met die zuurstofdraadjes. De oudste kleindochter wist dat haar ouders die week naar een crematie waren geweest, een tante van schoonzoon. En dan ligt beppe ook nog in het ziekenhuis! Ze mogen niet komen. Er komt hier bijna geen bezoek en als het bezoek is, herken je ze niet omdat iedereen in een blauw pak loopt met mondkapje en spatbril. Plus de spanningen voor de kinderen die er altijd zijn in de Sinterklaastijd, bijvoorbeeld omdat je voor het eerst een surprise hebt gemaakt. Zal die persoon wel op school zijn of is hij/zij ziek of verkouden? Zoveel vragen. Maar ze zijn ook veerkrachtig, onze kleinkinderen, en samen hadden we een knus videofeestje. Ik besef hoe blij ik mag zijn met de mensen die me dragen, op afstand, maar toch.

    Ik denk aan de vele vragen die buurman gisteravond kreeg, die iedereen krijgt. Want al waren de gordijnen dicht, dat wilde ik graag omdat ik weet wat er komt kijken bij een opname, mijn oren stonden als antennes uit. Niet omdat ik zo nieuwsgierig ben, al ben ik dat vaak wel, maar omdat ik het hoor! Over keuzes die je moet maken: wil je gereanimeerd worden? Beademd? Op de ic? Hoe zag je leven eruit voordat je ziek was? Iedereen heeft tijdens de vele praatprogramma’s artsen kunnen volgen over de afwegingen. Nu zit ik erbij, op de tweede rang en luister. Buurman zegt op alles Ja, wel gereanimeerd, wel ic, wel beademd. De dokter gaat weg, alles genoteerd. Later komt er een verpleegkundige: ‘Wat doet u zoal? Hoe vult u de dag?’ Als puzzelstukjes zie ik hoe er een mensenleven voor me komt te liggen. Het valt me op dat hij graag zijn best wil doen, bij alles wat iedereen van hem vraagt. Ook als diverse prikzusters bloed uit zijn aderen proberen te persen, vindt hij dat goed, al ervaart hij de bloedafnames als pijnlijk. Weer later op de avond komt de arts terug en terug op het eerdere gesprek. Ze vertelt over de consequenties van de keuzes die hij zo snel maakte. Reanimatie kan beademing inhouden, beademing is zwaar. Dat wil zeggen het inbrengen van de tube niet, maar eventueel weer zelfstandig ademhalen wel. Dan valt er niet veel te zeggen over een gunstige afloop en wil je dat? Wil je een goede kwaliteit van leven? Behoedzaam leidt de arts het gesprek, zonder te sturen, in eenvoudige begrijpelijke taal. Voor de zoveelste keer ben ik onder de indruk als ze weggaat en de buurman zijn besluit heeft genomen.

    Hanneke de Jong
  • Covid en zo 3

    Covid en zo 3

    Na de hectische dag volgt een dag van relatieve rust. Ik merk hoe heilzaam dat is voor lijf en hoofd. Ik lees wat, twitter wat, wandel aan het kabeltje en doe een spelletje. Denk, rust.

    Ik merk dat de verpleegkundigen nieuwe bedden binnenrijden en spullen voor nieuwe patiënten, hoe de ervaren covidmensen nieuwe collega’s rondleiden en uitleg geven. Vooral het ‘schoon’ houden van spullen via de sluis behoeft uitleg en oefening. Ik ben onder de indruk van de manier waarop men hier zorg geeft en doorgeeft.

    De volgende dag begint met een douche en een haarwasbeurt: wat heerlijk om je weer mens te voelen! Het kost wat, – energie en niet te weinig -, maar toch, zo fijn! Rust!

    Zei ik rust? Niet vandaag! Om de beurt marcheren artsen, fysio en diëtiste naar binnen met vragen en uitleg, vervolgstappen en hoe verder te gaan. Ik mag wandelen met een zuurstofflesje in de rollator en en passant zet iemand me op een weegstoel. Hoewel ik graag af wil vallen, ik had net een begin gemaakt, zal ik dat hier niet moeten doen. Alles is erop gericht om de spieren in conditie te houden met veel eiwitten, ook als je zuivelvrij moet eten. Het lukt, hoera, niet afgevallen!

    Het is een doedag met douchen, voor een groot deel zelf, wandelen, in 3 rondes 4 keer over de afdeling heen en weer, met een wachtende po-stoel omdat de dokter wil weten wat de nieren presteren, ik ben een groot deel van de dag bezig!. Ben je halverwege de dag, blijkt dat een overactief iemand de po met jouw vloeibare goud in het toilet heeft gegooid! Hoeveel was het ongeveer? Geen idee, ik kan het niet overdoen! Ik neem de tijd om te schrijven, deze stukjes, vers van de pers zonder redactie, omdat ik weet van mijn lotgevallen in het ziekenhuis op La Palma, die ik zo snel vergat. Bovendien was een longontsteking krijgen tijdens je vakantie een uitzondering, maar hier ben ik helaas de enige niet! En gezien de besluitvaardigheid van dit kabinet dat allang weg had moeten zijn, kan alles nog heel lang duren.

    ’s Avonds merk ik dat zo’n bezige dag weer heel veel vergt. Ik ben moe, de gedachten schieten overal heen en, hoe moe ik ook ben, het duurt lang voordat ik slaap en het is vroeg als ik weer wakker word. Ik neem me voor de activiteiten beter te verdelen, aandacht te hebben voor het hoofd dat zoveel moet verwerken.

    Deze dag begint goed, met een verrassing: de zuster brengt me een groot pak, verpakt in Sinterklaaspapier. ‘Dat mag u morgenmiddag pas uitpakken,’ zegt ze. ‘Als de familie Sinterklaas viert!’ Resoluut zet ze het pak onder in de kast. Ik ben blij en verrast en mijn eerste reactie is toch nog snel Sinterklaasgedichten te schrijven, die via de mail en de printers thuis de kleinkinderen, die veel verdriet hebben dat beppe is het ziekenhuis ligt, met enge draadjes uit haar neus!, dat ze toch nog kunnen genieten van het pakjesfeest. Ik zal erbij zijn, via Teams, om zo ook even aan de feestelijkheden te ruiken.

    Na de douche, de dokter, de diëtiste en de fysio komt een verpleegkundige met de boodschap dat ik een buurman zal krijgen. We bespreken hoe dat voor mij ook prettig kan verlopen, het tussengordijn gaat dicht en het nog lege bed wordt aan alle kanten klaar gemaakt.

    Per brancard arriveert de buurman, 80, voor de tweede keer Covid, en o, wat klinkt hij benauwd. Ik ben hier nu een week, klonk ik ook zo? Bij de buurman is het een duiventil. Van artsen, verpleegkundigen, de magische kinderwagen waarmee de foto’s worden gemaakt. De prikken, waarbij de prik in de pols om er bloed uit te halen waarin ze meer kunnen zien dan bloed van elders de pijnlijkste is.

    Ik zit op mijn stoel, observeer met afstand, wandel een stukje, vergeet niet om dingen te vragen die ikzelf nodig heb, want dat vergeet ik in zo’n situatie makkelijk. Ik maak de laatste gedichten af, schrijf mijn stukje en geniet van een aflevering Masterchef Australië, het programma waarbij ik me, zeker hier, zo heerlijk kan ontspannen. Aan de andere kant merk ik tijdens mijn wandelingetjes op dat de afdeling vol komt te liggen. De kamer hiernaast, waarop lang stond: Niet Betreden, is ook open met een patiënt. Meer patiënten betekent meer verplegers en verzorgers, allemaal met mobieltjes, geluidjes, bellen en noem maar op.

    Nu de dag bijna voorbij is, overdenk ik de gesprekken met de arts: het gaat goed met me, en ook met een zuurstofflesje zou ik naar huis kunnen gaan. Want o, wat wil ik graag naar huis! Rust!

    Natuurlijk is er een maar. Ik moet minstens 24 uur klachtenvrij zijn. Dat ben ik niet, ik hoest na inspanning. Die stomme hoest!

     

    Hanneke de Jong
  • Covid en zo 2

    Covid en zo 2

    De dag begint goed, na een ononderbroken nacht van zes uur. Ik neem de tijd om mezelf na de poetsbeurt heerlijk met crème en bodylotion te verwennen. De eerste dagen heb ik alleen het hoogstnoodzakelijke tot mijn beschikking: manlief positief getest, kinderen zitten met testen of andere druktes. De vorige dag heeft de oudste aanvullend materiaal gebracht en daar knap ik nu van op.

    Na het eten komt een jonge vrouwelijke arts die alle tijd voor me neemt. De longen herstellen langzaam en vandaag kan ik met minder zuurstof toe. Dat wordt toegediend door een lijntje, sorry, de woorden strompelen vandaag in plaats van dat ze vloeien maar daar mag je zelf iets van maken. Dat lijntje is bevestigd aan een lange kabel, zodat ik mijzelf als een hond uit kan laten tot in de wc. Hoera! Niet teveel hoera, ik moet plassen in de postoel om de nieren in de gaten te houden. Ook best.

    De diëtist geeft tips voor extra eiwitten om te voorkomen dat de spieren, zorgvuldig opgekweekt na de renovatie van mijn binnenwerk, met de snelheid van het licht worden afgebroken. Dan val je af maar niet op de goede manier! Omdat ik van zuivel luchtweginfecties krijg heeft ze andere tips en binnen een uur staat er een eiwitdrankje voor mijn neus. De fysio bespreekt de oefeningen en de buurvrouw, schuin aan de overkant maakt zich klaar voor vertrek.

    En dan. ‘U krijgt een overbuurman, mevrouw De Jong,’ meldt een verpleegkundige. Binnen het kwartier is de man gearriveerd en wordt hij geïnstalleerd. Recht tegenover me. Ik staar naar buiten en probeer mijn gedachten te ordenen.

    Iemand aan de overkant, daar kan ik niet aan ontkomen. Ik kan niet filteren, ik hoor alles en ik merk dat ik in paniek raak. Ik was toch zo flink? Het ging toch zo snel? Aan de andere kant is het een ziekenhuis voor iedereen, Hanneke de Jong! Weg met die koninginnen-allures! Ja maar, hoe doe ik dat met mijn ADHD?

    De buurvrouw die bijna weg is, fluistert mij de gedachte toe die ik ook al had: ‘Vraag om de plek tegenover mij, ik ben straks toch weg.’
    Ik trek me terug op het toilet, aan mijn lijntje, en, nee, barst niet in huilen uit, dat doe ik zelden. Maar de ogen worden wel nat. Ik zie mezelf in de spiegel staan en denk: ‘Dat is mama!’ Het gewicht van bijna 70 levensjaren is me aan te zien. Na het overlijden van mijn vader veranderde mijn moeder in een vrouw die ik (meestal) niet zou willen zijn. En daar staat ze!

    Terug op mijn bed merk ik dat ik hier slecht mee om kan gaan, niet alleen mijn hoofd, maar ook mijn lijf. Als de verpleegkundige even later mijn longen, bloeddruk, ademhaling controleert is het resultaat meteen te merken. ‘Wat zit uw ademhaling hoog, mevrouw De Jong. Komt dat door die kabel, denkt u?’ Ik vraag of ze met me meekomt naar de gang en probeer haar uit te leggen dat ik me niet van prikkels af kan sluiten want ADHD, maar dat ik dat natuurlijk het liefst zou willen. Ik leg haar de verhuisoptie voor, dan ligt er niet iemand in mijn blikveld al hoor ik natuurlijk wel alles.

    Zuster gaat akkoord en als de buurvrouw afscheid heeft genomen en me Gods zegen heeft toegewenst de komende tijd, verhuizen twee verpleegkundigen het bed, het kastje en de tas, en de tekeningen van de kleinkinderen die ik vannacht net had opgehangen. Nog maar nauwelijks heb ik me geïnstalleerd of een van de verpleegkundigen komt bij me zitten. ‘We schalen op,’ zegt ze. ‘Dat betekent dat er op deze kamer misschien nog iemand bij komt.’ Bambi’s ogen zijn er niks bij! ‘Maar,’ gaat ze verder, de kamer hiernaast gaat open, dat is een tweepersoonskamer. U zou daar kunnen liggen, al is het niet gezegd dat u alleen blijft.’ Ik ga ongezien akkoord en het bed en kastje verhuizen naar de volgende kamer. Daar is het grootste probleem dat het toilet iets verder weg is, wat in verband met de kabel wat ingewikkeld ligt. Als ik zit, moet ik mijn gezicht voorbij mijn knieën houden als een reiger zonder visje, langer is de kabel niet. Dat kan me nu helemaal niks schelen en in de rust van de nieuwe kamer probeer ik mezelf te hervinden.

    Een paar uurtjes later, als ik aan mijn kabeltje richting toilet wandel, valt mijn oog op een aantal toevalligheden, waarin ik onmiddellijk een mysterie herken. Een mysterie met een kerstman. De dag is bijna voorbij, morgen ga ik op zoek naar die kerstman.

    Die avond merk ik dat we opschalen: de verpleegkundigen hebben het druk met nieuwe bedden, die langzaam vol worden, en nieuwe collega’s die zich de covidmaterie eigen moeten maken.

    Hanneke de Jong