Schrijflap

Blogberichten

  • Aantekeningen van mijn vader op 10 mei 1940

    Aantekeningen van mijn vader op 10 mei 1940

    Op Hemelvaartsdag 3 mei 1940 verhuisde mijn vader van Gaasterland, Friesland, naar Roermond. Hij werd onderwijzer en woonde in een kosthuis boven een winkel. Na een week was het Pinkstervakantie en zou hij met de trein naar Friesland reizen. Een andere kostganger, vertegenwoordiger, waarschuwde hem dat het niet veilig was. Duitsland had een groot leger vlakbij de Nederlandse grens liggen en de vertegenwoordiger dacht dat het wel eens op een oorlog kon uitdraaien.

    Mijn vader vervolgde:

    Mijn vader overleed op 10 mei 2000.

    Ik mis hem.

    Hanneke de Jong
  • Nei La Palma, in bêste reis (slot)

    Nei La Palma, in bêste reis (slot)

    Op de eerste nacht na, die eindeloos lang duurde, bleef ik steeds rustig, wat er ook gebeurde. Dat veranderde zondags, toen ik ontdekte dat ik bijna door mijn medicijnen heen was. Ik had nog twee capsules voor ADHD en de schrik sloeg me om het hart. Die medicijnen kenden ze niet in het ziekenhuis, dat wist ik.

    Ik belde naar huis, de man belde met SOS, ik wist immers precies waar ze thuis lagen! De boodschap was dat het niet mogelijk was mijn medicijnen naar La Palma te halen. Dat moest ik even verwerken. Met ADHD kun je niet of onvoldoende alle prikkels die binnenkomen filteren. Alles wat je hoort, ziet, ruikt, voelt komt keihard binnen, vele malen harder dan bij mensen zonder ADHD.

    Het betekende dat ik alles wat in onze kamer gebeurde, wat ik hoorde, – de buurman die vijf keer terugkwam om afscheid te nemen, de dokters en zusters die met de buurvrouw bezig waren – , maar ook wat er zich op de gangen en soms zelfs in andere kamers afspeelde, bij me binnenkwam. Ik verstond geen Spaans, het was voor mij muziek, niet zacht en kabbelend, maar schetterend en bruisend. Ik vond het verbazingwekkend dat de tongen van de sprekers niet in de knoop raakten! Dan alle karretjes die over de gang reden, de bezoekers die vaak eindeloze gesprekken, alsof ze op zaterdagavond op het dorpsplein stonden te kletsen, voerden, de mobieltjes die de bezoekers meteen aanzetten en die rinkelden en bliepten. Dan was er nog een man, vermoedelijk aan het eind van de gang, die af en toe momenten had, bij voorkeur tussen tien en twaalf uur ’s avonds, om te gaan roepen. Hij riep namen, hij riep: ‘Dottore, dottore’, en wat hij allemaal maar aan leed kon verzinnen. Zijn luide weeklagende stem ging op zeker moment over op een ruzietoon, dan kwamen er anderen bij en werd het echt ruzie. Ik kon er niet aan ontkomen, zelfs niet als ik dopjes in mijn oren had. Alles, alles kwam binnen. Tot overmaat van ramp vroeg de echtgenoot van de buurvrouw aan de reisorganisatieman of hij wilde zorgen dat buurvrouw tv kon kijken. Ook nog herrie van de andere kant! (Gelukkig lukte het hem niet.)

    Ik vertelde de hoofdverpleegkundige waar ik mee zat en ze zou haar best doen. Ik probeerde niet te piekeren en begon maar eens op te schrijven wat ik allemaal had meegemaakt. Dat leidde af. Al schrijvend bedacht ik wat een bijzondere vakantie ik eigenlijk had! Zeker nu ik geen zuurstof meer kreeg, zelf mocht douchen en naar het toilet mocht zonder toestemming, soms een eindje wandelde op de gang om te ontdekken waar alle geluiden vandaan kwamen, het was op zijn minst ongewoon.  Ik kende inmiddels de mensen van de verzorging en verpleging steeds beter, en zij kenden mij: Hannikki.

    Op een ochtend, ik was al gewekt en wachtte op het ontbijt, hoorde ik vanaf de gang galmen: ‘Hola Hannikki, café con lette?’
    ‘Si,’ brulde ik terug, ’por favore!’
    ‘Good for you, Hannikki!’ was het antwoord. Ik zag dit in Nederland niet meteen gebeuren!
    Een sms-vriend schreef: ‘Je kon het daar wel naar je zin hebben!’
    ‘Als ik niet zo ziek was, en als mijn dochter over drie weken niet zou bevallen, dan zeker!’

    Diezelfde ochtend kwam de zaalarts. Hij had overleg gehad met de longarts. Eigenlijk zouden ze nog graag wat onderzoekjes doen omdat ze wilden weten wat het nou eigenlijk was, wat hierachter zat. Aangezien dat ook in Nederland kon, mocht ik ’s middags naar het appartement zodat ik terug naar huis kon. Ik was Fit to Fly!

    Even na tweeën haalde schoonzus me op en mocht ik, voorzien van een (Spaanstalige) brief aan de huisarts en een recept voor pufjes en pillen, het ziekenhuis verlaten.

     

    Lief, lief ziekenhuis van La Palma, ik zal jou en al je lieve medewerkers nooit meer vergeten. Jullie waren geweldig.

    ’s Avonds aten we aan het strand bij een prachtige zonsondergang, met een gitarist, op een gezellig terrasje buiten.

     

     

     

     

     

    Vrijdag konden we terugvliegen met Transavia waar de stewardessen goed voor me zorgden, waar een mevrouw van plaats ruilde zodat ik meer ruimte had; SOS internationaal had overal voor een rolstoel gezorgd met een vriendelijke jongeman erachter en vrijdagavond waren we weer thuis. Dank schoonzus Betty dat je een week langer voor me op La Palma bleef, dat je boodschappen voor me deed, samen met mijn man alles regelde met SOS, Transavia en de mevrouw van het appartement en wat niet meer! Dank lieve sms-vriend(innen) en kinderen, jullie berichtjes waren zo’n goed medicijn!

    Thuis waren ze blij dat we, een week later dan gepland, terug waren. Luca was zelfs zo blij dat hij me geen seconde alleen liet!

     

     

     

    Hanneke de Jong
  • Nei La Palma, in bêste reis! (6)

    Nei La Palma, in bêste reis! (6)

    Ik versta en spreek geen Spaans en dat was soms lastig. Gelukkig spraken de mensen in het ziekenhuis meestal wat Engels, soms ook heel goed, dus vaak kwamen we er wel uit. De buurvrouw, opgegroeid in Oost-Duitsland, kwam niet verder dan Duits en ondanks dat er veel Duitsers op La Palma wonen, verstaan en spreken de bewoners van La Palma geen woord Duits. Dat gaf soms problemen.

    De buurvrouw, Ruth, lag dag en nacht op haar rug. Ze was aangesloten op van alles, ze hoestte veel, het kwam van diep en klonk pijnlijk, en aan ‘kakka’ deed ze niet. Zelfs niet nadat ze na zes dagen ziekenhuis een klysma kreeg. De knappe internist kwam iedere dag en aangezien haar man uren bij haar bed zat, liep de communicatie via hem. ’s Morgens was hij even na negenen al paraat en ook tijdens de wasbeurt, het eten, wie of wat er ook kwam, hij bleef zitten en sprak haar moed in. Ik zou er gek van worden en dacht stiekem dat hij vast uit het onderwijs kwam: ‘Zet door, lief, je kunt het!’ (Hij kwam inderdaad uit het onderwijs!) Volgens mij had de buurvrouw behoefte aan rust, want ze had veel pijn.

    Soms als hij ’s ochtends kwam, hoorde ik zakjes ritselen en gingen ze samen iets lekkers eten. Dat ging een paar dagen goed tot ze werden ‘betrapt’ door een verpleegkundige. Die viel bijna van haar stoel en zei dat het niet goed voor haar health was. Dat begreep het echtpaar niet. De zuster keek even om het gordijn, naar mijn schoonzus die op bezoek was en mij en wij riepen in koor: ‘Gesundheid!’ Het bleek dat ze chips aten. Een uur later kwam de mooie internist en die gaf ze nog eens flink de wind van voren. Ze moest gezond eten en niet vette spullen vol zout!

    Na vier dagen liepen er twee nieuwe, jonge verplegers de kamer in. Wat een prachtig duo! De een vrij klein met pikzwart haar en sprekende, donkere ogen, de ander met een keurig verzorgd hipsterbaardje. Dat was een voetbalgek die me uitlachte toen ik zei dat ik uit Holanda kwam. ‘Jullie doen niet eens mee!’ Hij bedoelde het WK natuurlijk en ik wenste hem veel succes.

    Dit tweetal was ongetwijfeld in opleiding en ze wilden leren, leren! Al snel hadden ze door dat ik zowel Engels als Duits sprak. ’s Avonds vroeg de donkerharige mij of ik wilde tolken. Mijn buurvrouw wilde hem iets vertellen, maar hij snapte het niet.

    Ze legde mij uit dat haar matras scheef lag, ze helde naar rechts over. Ik vertelde hem wat er aan de hand was en met de afstandsbediening van het bed probeerde hij het weer in orde te krijgen. Dat lukte niet en ten slotte haalde hij er een oudere collega bij. Zij, met glimwangetjes, guitige ogen en krulhaar langs haar gezicht, gaf twee ferme rukken aan de linkerkant van het bed en zie daar, buurvrouw lag weer recht. Stomverbaasd keek de jonge verpleger en ik grinnikte: ‘That’s womanpower!’ ‘Yes!’ reageerde zijn vrouwelijke collega. Hij liep aarzelend naar de deur, draaide zich nog eens om en ik herhaalde: ‘Womanpower!’ Het duurde even, toen knikte hij, haalde zijn schouders op en zei lachend: ‘You’re right, that’s womanpower.’

    Bij mij kwam de longarts en even had ik het gevoel dat ik meedeed aan de ziekenhuisserie House. Hij vuurde de ene vraag na de andere op me af: of er longziektes voorkwamen in de familie, of ik nog werkte, of ik met gevaarlijke stoffen werkte? Mijn antwoord was dat ik zelf de meest gevaarlijke stof was waar ik mee werkte. Of er lupus in de familie voorkwam? (Nee, maar wel vaak genoemd bij House!) De longarts stelde nog een serie onderzoeken voor die volgens mij ook prima in Nederland gedaan konden worden. Hij wilde nogmaals foto’s laten maken, zei hij. Zondag of zo…

    Zondagavond, tegen acht uur ’s avonds, kwam een bloedmooie verzorgster me ophalen met de rolstoel. Ze deed me een vest aan, het was fris, en reed me naar radiologie. Daar waren twee mensen in hun huis-, tuin- en keukenkloffie bezig met het maken van foto’s die kennelijk voor maandag klaar moesten zijn. De volgende dag zou er ook weer bloed bij me geprikt worden, zodat de zaal- en de longarts konden overleggen hoe het verder met me moest. Was ik Fit to Fly? Zouden mijn benen me weer kunnen houden?

     

    Hanneke de Jong
  • Nei La Palma, in bêste reis! (5)

    Nei La Palma, in bêste reis! (5)

     

    Op de ER was ik te ziek om alles te onthouden; het was er ook te hectisch voor. Veel van wat ik meemaakte is gewoon vergeten. Omdat ik langer op de afdeling verbleef, en langzaam opknapte, keek ik steeds beter om me heen. Wat me opviel waren de medewerkers. Zowel aan het begin als aan het einde van hun dienst zagen ze eruit alsof ze zo uit de was- en droogmachine, met ingebouwd strijkijzer, kwamen gelopen. De dames, op een enkeling na, netjes opgemaakt, met felgekleurde lippen. Het verplegend en verzorgend personeel in witte pakken, soms met een donkerblauw vest er overheen, de schoonmakende dames droegen een donkerblauwe kiel op de witte broek. En altijd vriendelijk en lief. Op één uitzondering na.

    Het was ’s avonds laat. Ze keek naar me met een ontzettend arrogante blik. Ik kon me haar voorstellen als flamencodanseres. Ze was lang en droeg over haar witte pak een donkerblauw vestje. Toen ze zich over me heen boog om het zuurstofkapje op te zetten, twijfelde ik even. Ik dacht over haar na terwijl ik zat te dampen. Alle verpleegkundigen waren vriendelijk, waarom zij niet?
    Na een kwartiertje kwam ze terug met een mannelijke collega, om het kapje weer af te zetten en me de laatste medicijnen te geven. ‘Nu weet ik het,’ zei ik in het Engels.
    ‘Wat?’
    ‘Waarom je zo keek. Zo arrogant.’
    ‘Did I?’
    ‘Yes, you did. Zo keek mijn man ook altijd als ik hem had betrapt op het roken van een sigaret als hij weer eens wilde stoppen. Alsof ík het gedaan had, alsof het mijn schuld was.’
    De broeder die naast de verpleegkundige stond, lachte breed. De verpleegkundige aarzelde en gaf toe. ‘Je hebt gelijk. Ik had net een sigaret gehad. Maar hoe wist je dat?’
    ‘Dat rook ik. Ik vroeg me af waarom je je zo gedroeg en even later wist ik waarom.’
    Vanaf die dag waren we dikke vrienden.

    De wasdames die de katheter hadden verwijderd, zetten me na de wasbeurt op een stoel. Het was de bedoeling dat ik daar een paar uren bleef zitten. Ha, een nieuwe stap! En de broeder die me de eerste avond alle ins en outs had geleerd over ‘kakka’ had ook een verrassing toen ik hem belde. Hij rolde een in zeer vrolijke kleuren geverfde po-stoel naar binnen. Bij mijn bed, ik lag al weer, maakte hij een diepe buiging, stak me zijn hand toe en begeleidde me naar de po-stoel. ‘Your Highness!’

    Zitten, niet met een steel in mijn rug, maar al bijna op een echte wc. Wat een zaligheid! Het was het begin van langzaam mobiliseren, al zat ik nog wel aan het zuurstof vast, dus de bewegingsruimte was beperkt. Maar het was een begin! Later, die middag, werd ik een poos losgekoppeld van het zuurstof. Ik merkte het nauwelijks, vond ik. Tot ik het kapje weer opgezet kreeg en heerlijk zat te dampen. En ik vernam hoe ontzettend moe ik was van niks! Van ademhalen! (noem dat maar niks…)

    De volgende ochtend mocht ik mezelf douchen, maar met een verzorgster erbij. Zodra ze door had dat ik moe begon te worden, nam ze het over, spoelde me af en roste me droog in zo’n tempo, dat ik op mijn benen stond te trillen. Ze hielp me met aankleden, ik mocht mijn gewone kleren weer aan! Na de beha vroeg ze waar mijn hemd was. Kamisole? Ik schudde mijn hoofd, het was veel te warm voor een hemd. Geschokt zei ze dat dat moest, ik moest een kamisole dragen! Ze keek naar me alsof ze net een vrouw van lichte zeden had gewassen en afgedroogd. Ik wilde alleen maar gaan liggen, kapot van de douchebeurt. De verzorgster liet het erbij, maar zeer tegen haar zin. Een vrouw draagt een kamisole, punt! Dat deed ik de dagen die volgden dan ook braaf.

    Vaak dacht ik na over de enorme organisatie die een ziekenhuis is, waar alle mensen tellen, zowel de patiënten als de medewerkers. Ik raakte steeds meer onder de indruk van wat dit ziekenhuis deed met zeer beperkte middelen, dat zag ik wel. Maar de werkers, wie ze ook waren en wat hun vakgebied ook was, ze deden hun werk met liefde. Het was niet moeilijk om daar patiënt te zijn.

    Hanneke de Jong
  • Nei La Palma, in bêste reis! (4)

    Nei La Palma, in bêste reis! (4)

    De eerste ochtend op de afdeling was prachtig. De zon scheen door het gordijn van de buurvrouw; een hele prettige manier van wakker worden. Ook de verpleegkundigen en verzorgenden wekten me lief en zorgzaam. Tegen zevenen hoorde ik bij mijn rechteroor: ‘Hannikki, pssst, Hannikki!’ Een teken om mijn rechterarm uit te steken zodat er weer wat in gespoten of gestoken kon worden. Even later aan de andere kant: ‘Hannikki…’ Tijd om mijn gezicht naar links te draaien zodat ik het zuurstofkapje, met drie soorten medicatie erin, kreeg opgezet. De eerste vijf minuten lag ik te stomen als een draak en dat was heerlijk. Dan voelde ik de energie in me stromen!

    Wachten.

    Een zuster bracht een thermometer, een andere nam de bloeddruk op en die was fantastisch! Niks royaal boven de 160, maar netjes tussen de 120 en de 140.

    Wachten.

    Bij de buurvrouw was het een komen en gaan. Soms stonden ze met z’n zevenen om haar bed. Ik benijdde haar niet, ze was er slecht aan toe. Wel kreeg zij de knapste dokters! Aan de andere kant keek ik daar liever naar dan dat ze aan mijn lijf zaten. Haar man was vaak bij haar, al vanaf negen uur.

    Ongeveer halftien bracht een verzorgster het ontbijt: een hard broodje met een botertje en twee jammetjes met daarbij een grote kop warme melk om er een zakje koffie en evt. suiker in te doen.

    Wachten.

    De wasdames die me, iets rustiger dan op de ER maar verder met dezelfde werkwijze, wasten en afdroogden en meteen het bed verschoonden.

    Wachten. Uitrusten!

    De eerste dagen kwam schoonzus ’s ochtends, Zij verbleef nog steeds in ons mooie appartement, maar toen ik doorhad dat er de rest van de dag weinig gebeurde, bezocht ze me ’s middags. Vaak kwam de dokter nog langs om te melden wat zijn bevindingen waren n.a.v. wat er maar onderzocht was.

    Tegen halftwee was het tijd voor de warme lunch: een hard broodje, soep, nog iets warms en meestal een vrucht. Soms was de soep zoutloos en niet te eten en wat er verder ook werd geserveerd, een salade of verse groenten at ik zelden of nooit. Wel kon je flessen met water krijgen en gemiddeld ging er per dag zo’n 2 ½ liter doorheen. Ik viel af, niet verkeerd, maar wel erg snel! Nog steeds neem ik extra vitaminen om het tekort in te halen.

    Schoonzus en man hadden intussen contact met de reisorganisatie en SOS-internationaal, de verzekering. De reisorganisatie zou iemand naar me toesturen voor mijn verhaal en ik was dan ook niet verbaasd toen er een mevrouw naar me toekwam. Wel vreemd dat ze Duitse was, ik meende toch echt dat ik met een Vlaamse had gesproken.

    Al snel bleek dat het niet om iemand van de reisorganisatie ging, maar om een dame van een Evangelische organisatie. Ze wilde graag met me bidden, of ik daarvoor voelde. Nee, geen behoefte aan om met een wildvreemde te gaan liggen bidden.

    Buurvrouw meldde zich: zij wilde wel graag bidden en dus kwam de mevrouw niet voor niks. Ik kon weer uitrusten terwijl de buurvrouw luisterde naar een gebed zonder einde.

    Om kwart over negen was het tijd voor het avondeten, een variatie op de lunch en ten slotte kregen we om twaalf uur ’s nachts nog warme melk met décafé of thee. Daar tussendoor: veel wachten, af en toe lezen of een puzzeltje maken en soms een sms’je versturen naar kinderen en vriendinnen. Wifi was er niet en dat was aan één kant goed, maar o, wat miste ik Twitter en Facebook!

    Hanneke de Jong